Untitled Document
 


Huysmans-Buermans
Lichtaartseweg 5
2440 Geel - Belgium
+32 (0)479/965511
+32 (0)14/23.37.26





 

Geschiedenis

Zwitserland is de bakermat van de Berner Sennenhond. Honden van dit stevige type werden er naar alle waarschijnlijkheid al rond de middeleeuwen gehouden. De driekleurige aftekening kwam in die tijd al voor maar er werden ook veel zwartwitte en roodwitte honden gefokt voor het werk op en rond de boerderij.

Van de voorlopers van de berner is bekend dat ze in de buurt van Bern werden gehouden. Ze werden gebruikt als drijfhond voor kudden geiten en runderen, als waakhond op het erf en als trekhond voor de melkkar.

In begin 1900 werden de Berner Sennenhonden al op tentoonstellingen gesignaleerd, destijds noemden ze nog de Dürrbächlers. Deze naam is afgeleid van het Zwitserse dorpje Dürrbäch in het kanton Bern. In 1907 besloten enkele fokkers de Dürrbächler raszuiver te gaan fokken, ze richtten toen de eerste rasvereniging op voor Dürrbächlers op nl. Schweizerischen Dürrbächclub. In 1913 werd de naam Berner Sennenhond officieel ingevoerd en werd de naam van de club ' Klub für Berner Sennenhunden '.

Tot de jaren '60 was de Berner vrij onbekend buiten Zwitserland. Vanaf die tijd werden er veel honden geëxporteerd naar andere landen in Europa. De grotere bekendheid van het ras bracht ook een stijgende populariteit met zich mee, met alle gevolgen vandien. Onder de druk van de vraag naar Berners werd er met honden gefokt die onder meer qua karakter niet ras-typisch waren. Mede door inteelt met verkeerde honden ging het in de jaren '70 fout. Deze jaren gelden als hystorisch dieptepunt voor het ras. De grootste problemen werden veroorzaakt door honden, veelal reuen die gedragsafwijkingen lieten zien, zoals schuwheid, onvoorspelbaarheid en agressieviteit; eigenschappen die de Berner niet eigen zijn.

Door een tijdelijk fokverbod en later de invoering van gedragstesten voor fokdieren behoren deze problemen zich gelukkig tot het verleden. Tot vandaag worden er nog steeds gedragstesten afgelegd om herhaling te voorkomen. Door al deze inspanningen is het karakter van de Berner Sennenhond weer genormaliseerd en is hij weer de betrouwbare, stabiele boerenhond die hij vroeger was.

Rasstandaard

( Berner Sennenhund, Dürrbächler )

F.C.I standaard nr. 45/12.03.1993

Oorsprong

Zwitserland

Gebruik

Oorspronkelijk waak-, drijf- en trekhond op boerderijen, tegenwoordig ook familie- en veelzijdige gebruikshond

Classificatie

Groep 2 ( Pinchers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse sennenhonden ) Sectie 3 ( Zwitserse Sennenhonden ) zonder werkproeven

Algemene verschijning

Langharige, driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke gebruikshond met stevige ledematen; harmonisch en gelijkmatig opgebouwd.

Verhouding

Verhouding tussen schofthoogte en lichaamslengte: ca 9/10. Eerder gedrongen dan lang

Karakter en gedrag

Zeker, opmerkzaam en onbevreesd in dagelijkse situaties; goedmoedig en aanhankelijk in omgang met vertrouwde personen, zelfzeker en vriendelijk tegenover vreemden; middelmatig temperament, zeer handelbaar

Hoofd

krachtig; shedel gezien in profiel en vooraanzicht: weinig gewelfd; geprononceerde, doch niet te sterke stop; weinig ontwikkelde voorhoofdsgroef; krachtige, middellange rechte voorsnuit.

Neusspiegel : zwart

Lippen : weinig ontwikkeld, aansluitend, zwart

Gebit : volledig krachtig schaargebit

Ogen : donkerbruin, amandelvormig met goed aansluitende oogleden

Oren : driehoekig, licht afgerond, hoog aangezet, middelgroot, in rust vlak liggend

Hals : krachtig, gespiers, middellang

Lichaam : krachtig, compact

Borst : tot de elleboog reikend, breed, met duidelijke voorborst

Ribbenkast : van breed ovale doorsnede

Rug : vast en recht

Kroep : licht en afgerond

Staart : behaard tot op spronggewricht reikend, in rust hangend, in beweging zwevend tot rughoogte of lichtjes hoger gedragen

Buik : niet opgetrokken

Lendenen : breed en krachtig

Ledematen

* voorhand

Algemeen : stand eerder breed, vanvoor gezien recht en evenwijdig

Schouders : lang, krachtig, schuins geplaatst, met de bovenarm een niet te stompe hoek vormend; aanliggend en goed gespierd

Voormiddenvoet : nagenoeg loodrechtstaand, stevig

Voeten : kort, rond en gesloten, tenen goed gewelfd

* achterhand

Algemeen : stand van achter gezien: recht, niet te eng; hak achtermiddenvoet en voeten noch naar binnen noch naar buiten uitdraaiend. Hubertusklauwen moeten verwijderd zijn.

Dijbeen : tamelijk lang; van opzij gezien met het onderbeen een duidelijke hoek vormend, breed en goed gespierd.

Sprong : krachtig en goed gehoekt

Gangwerk

Ruimgrijpend, gelijkmatige bewegingsontwikkeling in alle gangen. Uitgrijpende vrije voortred en goede stuwing vanuit achterhand. In draf van voor en achter bekeken: rechtlijnige ontwikkeling van de ledematen.

Beharing

* haar : lang, sluik of licht gegolfd

* kleur : diepzwarte grondkleur met donkere bruinrode brand ( tan ) aan de wangen, boven de ogen, aan alle vier de benen en aan de borst

- witte, zuivere, symmetrische aftekening aan het hoofd ( bles en vang ): een bles die zich naar de neus toe aan beiden zijden tot een vangtekening verbreed. De bles mag niet tot tegen de tannenvlek komen, en de witte vangtekening mag niet voorbij de mondhoeken reiken.

- witte, matig brede, doorlopende keel- en borstaftekening

- gewenst: witte voeten; witte staartspits

- getolereerd: kleine witte nekvlek; witte aarsvlek

Grootte

reu : 64 tot 70 cm schofthoogte, ideaal: 66 tot 68 cm.

teef : 58 tot 66 cm schofthoogte, ideaal: 60 tot 63 cm

Fouten

Iedere afwijking van bovenvermelde punten.

De beoordeling, taxatie, moet in verhouding tot de graad der afwijking staan en ermee rekening houden in zoverre het essentiële benadeeld is.

° karaktertekorten : angst, agressiviteit

° onder en voorbijten

° ontbreken van andere tanden dan hoogstens 2 x P1. De M3 worden buiten beschouwing gelaten.

° entropium, ectropium

° sterk doorgezakte rug

° overbouwde en/of afvallende croupe

° ringstaart, knikstaart

° fijne bone

° krulhaar

° a-typische tekening:

- ontbreken hoofdtekening

- te brede bles( tss bles en tannenvlek moet klein streepje zwart zijn)

- witte vangtekening boven mondhoek

- grote witte nekvlek

- witte halsring

- witte laars ( wit verder dan voormiddenvoet en/of achtermiddenvoet )

- opvallende asymmetrische hoofd, hals en borsttekening

- zwarte vlekken en strepen in borstwit

- onzuiver wit

- een bruine of rode schijn in de zwarte grondkleur

Voor beoordeling uitsluitende fouten

° gespleten neus

° blauwe ogen

° kort- of stokhaar

° ontbreken van de drie kleuren

° andere kleur dan de zwarte mantel

°monorchysmus en cryptorchysmus

° de reuen moeten twee duidelijk ontwikkelde testikels hebben, die zich volledig in het scrotum bevinden

Betekenis van de standaard

De standaard is een ideaalbeschrijving, de standaard geeft een beschrijving hoe de ideale rashond eruit ziet. Maar een ideale Berner bestaat niet. In de werkelijkheid zal zelfs de mooiste hond slechts aan een deel van de punten van deze ideaalvoorstelling beantwoorden. De mooiste hond is de hond die deze standaard het meest benaderd.

Op tentoonstellingen beoordelen keurders in hoeverre een hond aan dit ideaalbeeld beantwoordt. Wanneer er goed gekeurd wordt, en wanneer er goed gefokt wordt, want deze twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zullen er na verloop van tijd meer en meer honden te vinden zijn die dichter en dichter dit ideaalbeeld benaderen.

Maar een standaard is enkel een beschrijving binnen een beperkt kader. Het is niet allesomvattend, supergedetailleerd. En het is daar dat de problemen ontstaan. Want al worden er geijkte termen gebruikt in de standaard, het blijven woorden, en woorden zijn relatief. Ze kunnen door twee personen, die ter goeder trouw handelen, op een verschillende manier geïnterpreteerd worden. Daarom dat elke standaard een aanvullende verduidelijking nodig heeft. Voor de Berner is deze aanvulling te vinden in " Hunde sehen, zuchten, erleben " van M Bärtschi en H Sprengler.

Het beste voorbeeld om aan te tonen dat zo een verduidelijking wel degelijk nodig is, is het verschil tss reu en teef. Wanneer we op de standdard afgaan, zouden een reu en een teef er identiek uit zien, op het aanwezig zijn van testikels bij de reu, en de schofthoogte na. In zo een verduidelijking worden bv de secundaire geslachtskenmerken besproken.

Zo is een reu krachtiger, met een stevig skelet; het hoofd is typischer en de schoft is beter ontwikkeld, de romp is korter en reuen hebben vaak langer en harder haar. Hun uitstraling is mannelijk robuust. Een teef is, haar kleinere lichaamshoogte buiten beschouwing gelaten, iets minder massief, langer van romp en haar hoofd is in verhouding tot de romp iets kleiner. Het haar is niet zo lang en minder hard. De lichaamslijnen van een teef zijn ronder en vloeiend en de uitstraling is vrouwelijk zacht.

Deze verduidelijking over het verschil tss reu en teef lijkt iedereen logisch en overbodig zelfs. Maar er zijn heel wat punten in een standaard die niet zo makkelijk te definiëren zijn, en dan is een aanvulling van de standaar onontbeerlijk.