Zwitserland
is de bakermat van de Berner Sennenhond. Honden van dit stevige
type werden er naar alle waarschijnlijkheid al rond de middeleeuwen
gehouden. De driekleurige aftekening kwam in die tijd al voor
maar er werden ook veel zwartwitte en roodwitte honden gefokt
voor het werk op en rond de boerderij.
Van de voorlopers
van de berner is bekend dat ze in de buurt van Bern werden gehouden.
Ze werden gebruikt als drijfhond voor kudden geiten en runderen,
als waakhond op het erf en als trekhond voor de melkkar.
In begin
1900 werden de Berner Sennenhonden al op tentoonstellingen gesignaleerd,
destijds noemden ze nog de Dürrbächlers. Deze naam
is afgeleid van het Zwitserse dorpje Dürrbäch in het
kanton Bern. In 1907 besloten enkele fokkers de Dürrbächler
raszuiver te gaan fokken, ze richtten toen de eerste rasvereniging
op voor Dürrbächlers op nl. Schweizerischen Dürrbächclub.
In 1913 werd de naam Berner Sennenhond officieel ingevoerd en
werd de naam van de club ' Klub für Berner Sennenhunden
'.
Tot de jaren
'60 was de Berner vrij onbekend buiten Zwitserland. Vanaf die
tijd werden er veel honden geëxporteerd naar andere landen
in Europa. De grotere bekendheid van het ras bracht ook een
stijgende populariteit met zich mee, met alle gevolgen vandien.
Onder de druk van de vraag naar Berners werd er met honden gefokt
die onder meer qua karakter niet ras-typisch waren. Mede door
inteelt met verkeerde honden ging het in de jaren '70 fout.
Deze jaren gelden als hystorisch dieptepunt voor het ras. De
grootste problemen werden veroorzaakt door honden, veelal reuen
die gedragsafwijkingen lieten zien, zoals schuwheid, onvoorspelbaarheid
en agressieviteit; eigenschappen die de Berner niet eigen zijn.
Door een
tijdelijk fokverbod en later de invoering van gedragstesten
voor fokdieren behoren deze problemen zich gelukkig tot het
verleden. Tot vandaag worden er nog steeds gedragstesten afgelegd
om herhaling te voorkomen. Door al deze inspanningen is het
karakter van de Berner Sennenhond weer genormaliseerd en is
hij weer de betrouwbare, stabiele boerenhond die hij vroeger
was.
Rasstandaard
( Berner Sennenhund, Dürrbächler )
F.C.I
standaard nr. 45/12.03.1993
Oorsprong
Zwitserland
Gebruik
Oorspronkelijk
waak-, drijf- en trekhond op boerderijen, tegenwoordig ook familie-
en veelzijdige gebruikshond
Classificatie
Groep
2 ( Pinchers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse sennenhonden
) Sectie 3 ( Zwitserse Sennenhonden ) zonder werkproeven
Algemene
verschijning
Langharige,
driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke
gebruikshond met stevige ledematen; harmonisch en gelijkmatig
opgebouwd.
Verhouding
Verhouding
tussen schofthoogte en lichaamslengte: ca 9/10. Eerder gedrongen
dan lang
Karakter
en gedrag
Zeker,
opmerkzaam en onbevreesd in dagelijkse situaties; goedmoedig
en aanhankelijk in omgang met vertrouwde personen, zelfzeker
en vriendelijk tegenover vreemden; middelmatig temperament,
zeer handelbaar
Hoofd
krachtig;
shedel gezien in profiel en vooraanzicht: weinig gewelfd; geprononceerde,
doch niet te sterke stop; weinig ontwikkelde voorhoofdsgroef;
krachtige, middellange rechte voorsnuit.
Neusspiegel
: zwart
Lippen : weinig ontwikkeld, aansluitend, zwart
Gebit : volledig krachtig schaargebit
Ogen : donkerbruin,
amandelvormig met goed aansluitende oogleden
Oren : driehoekig,
licht afgerond, hoog aangezet, middelgroot, in rust vlak liggend
Hals : krachtig, gespiers, middellang
Lichaam
: krachtig,
compact
Borst : tot de elleboog reikend, breed, met duidelijke
voorborst
Ribbenkast
: van breed ovale doorsnede
Rug : vast
en recht
Kroep : licht en afgerond
Staart : behaard tot op spronggewricht reikend, in rust hangend, in beweging
zwevend tot rughoogte of lichtjes hoger gedragen
Buik : niet
opgetrokken
Lendenen
: breed en krachtig
Ledematen
* voorhand
Algemeen
: stand eerder breed, vanvoor gezien recht en
evenwijdig
Schouders
: lang, krachtig, schuins geplaatst, met de bovenarm
een niet te stompe hoek vormend; aanliggend en goed gespierd
Voormiddenvoet
: nagenoeg loodrechtstaand, stevig
Voeten : kort, rond en gesloten, tenen goed gewelfd
* achterhand
Algemeen
: stand van achter gezien: recht, niet te eng;
hak achtermiddenvoet en voeten noch naar binnen noch naar buiten
uitdraaiend. Hubertusklauwen moeten verwijderd zijn.
Dijbeen
: tamelijk lang; van opzij gezien met het onderbeen
een duidelijke hoek vormend, breed en goed gespierd.
Sprong : krachtig en goed gehoekt
Gangwerk
Ruimgrijpend,
gelijkmatige bewegingsontwikkeling in alle gangen. Uitgrijpende
vrije voortred en goede stuwing vanuit achterhand. In draf van
voor en achter bekeken: rechtlijnige ontwikkeling van de ledematen.
Beharing
* haar : lang, sluik of licht gegolfd
* kleur
: diepzwarte grondkleur met donkere bruinrode
brand ( tan ) aan de wangen, boven de ogen, aan alle vier de
benen en aan de borst
-
witte, zuivere, symmetrische aftekening aan het hoofd ( bles
en vang ): een bles die zich naar de neus toe aan beiden zijden
tot een vangtekening verbreed. De bles mag niet tot tegen de
tannenvlek komen, en de witte vangtekening mag niet voorbij
de mondhoeken reiken.
- witte,
matig brede, doorlopende keel- en borstaftekening
- gewenst:
witte voeten; witte staartspits
- getolereerd:
kleine witte nekvlek; witte aarsvlek
Grootte
reu : 64
tot 70 cm schofthoogte, ideaal: 66 tot 68 cm.
teef : 58 tot 66 cm schofthoogte, ideaal: 60 tot 63 cm
Fouten
Iedere
afwijking van bovenvermelde punten.
De beoordeling,
taxatie, moet in verhouding tot de graad der afwijking staan
en ermee rekening houden in zoverre het essentiële benadeeld
is.
° karaktertekorten
: angst, agressiviteit
° onder
en voorbijten
° ontbreken
van andere tanden dan hoogstens 2 x P1. De M3 worden buiten
beschouwing gelaten.
° entropium,
ectropium
° sterk
doorgezakte rug
° overbouwde
en/of afvallende croupe
° ringstaart,
knikstaart
° fijne
bone
° krulhaar
° a-typische
tekening:
- ontbreken
hoofdtekening
- te brede
bles( tss bles en tannenvlek moet klein streepje zwart zijn)
- witte
vangtekening boven mondhoek
- grote
witte nekvlek
- witte
halsring
- witte
laars ( wit verder dan voormiddenvoet en/of achtermiddenvoet
)
- opvallende
asymmetrische hoofd, hals en borsttekening
- zwarte
vlekken en strepen in borstwit
- onzuiver
wit
- een bruine
of rode schijn in de zwarte grondkleur
Voor beoordeling
uitsluitende fouten
° gespleten neus
° blauwe
ogen
° kort-
of stokhaar
° ontbreken
van de drie kleuren
° andere
kleur dan de zwarte mantel
°monorchysmus
en cryptorchysmus
° de
reuen moeten twee duidelijk ontwikkelde testikels hebben, die
zich volledig in het scrotum bevinden
Betekenis
van de standaard
De
standaard is een ideaalbeschrijving, de standaard geeft een
beschrijving hoe de ideale rashond eruit ziet. Maar een ideale
Berner bestaat niet. In de werkelijkheid zal zelfs de mooiste
hond slechts aan een deel van de punten van deze ideaalvoorstelling
beantwoorden. De mooiste hond is de hond die deze standaard
het meest benaderd.
Op tentoonstellingen
beoordelen keurders in hoeverre een hond aan dit ideaalbeeld
beantwoordt. Wanneer er goed gekeurd wordt, en wanneer er goed
gefokt wordt, want deze twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden,
zullen er na verloop van tijd meer en meer honden te vinden
zijn die dichter en dichter dit ideaalbeeld benaderen.
Maar een
standaard is enkel een beschrijving binnen een beperkt kader.
Het is niet allesomvattend, supergedetailleerd. En het is daar
dat de problemen ontstaan. Want al worden er geijkte termen
gebruikt in de standaard, het blijven woorden, en woorden zijn
relatief. Ze kunnen door twee personen, die ter goeder trouw
handelen, op een verschillende manier geïnterpreteerd worden.
Daarom dat elke standaard een aanvullende verduidelijking nodig
heeft. Voor de Berner is deze aanvulling te vinden in "
Hunde sehen, zuchten, erleben " van M Bärtschi en
H Sprengler.
Het beste
voorbeeld om aan te tonen dat zo een verduidelijking wel degelijk
nodig is, is het verschil tss reu en teef. Wanneer we op de
standdard afgaan, zouden een reu en een teef er identiek uit
zien, op het aanwezig zijn van testikels bij de reu, en de schofthoogte
na. In zo een verduidelijking worden bv de secundaire geslachtskenmerken
besproken.
Zo is een
reu krachtiger, met een stevig skelet; het hoofd is typischer
en de schoft is beter ontwikkeld, de romp is korter en reuen
hebben vaak langer en harder haar. Hun uitstraling is mannelijk
robuust. Een teef is, haar kleinere lichaamshoogte buiten beschouwing
gelaten, iets minder massief, langer van romp en haar hoofd
is in verhouding tot de romp iets kleiner. Het haar is niet
zo lang en minder hard. De lichaamslijnen van een teef zijn
ronder en vloeiend en de uitstraling is vrouwelijk zacht.
Deze verduidelijking
over het verschil tss reu en teef lijkt iedereen logisch en
overbodig zelfs. Maar er zijn heel wat punten in een standaard
die niet zo makkelijk te definiëren zijn, en dan is een
aanvulling van de standaar onontbeerlijk.